Pubers

Terwijl links en rechts de skateboarden voorbij vliegen, liggen deze jongens bovenop de ramp te chillen. Daan rookt een sigaretje, Thomas eet een zak kroepoek leeg en Michel luistert wat muziek. Ze komen hier wel vaker om te skateboarden. Of eigenlijk: Thomas komt dan skateboarden. Hij kan het. Hij wordt zelfs gesponsord door een of ander vies energiedrankje. Daan is een rugbyspeler, maar nu geschorst. Niet voor een vuile tackle, of een vinger in het oog van een tegenstander. Nee, omdat hij praatjes had tegen de scheidsrechter. Dat mag niet. En Michel? Michel is een inline-skater. Alleen heeft hij geen inline-skates. Maar zou hij ze hebben, dan was hij een inline-skater.
Er zijn ook meisjes. Maar die zijn te druk. Als ze boven op de ramp komen zitten, laten de jongens zich naar beneden glijden. Ze houden niet van dat adhd-gedoe. Relax.
Dan vertrekken de jongens. Daan gaat een nieuwe game kopen. En Thomas en Michel zijn bereid om die samen met hem te gaan spelen.
Pubers.

Pubers in het wild
Pubers in het wild

Sovjetnostalgie

Het is al weer vijfentwintig jaar geleden dat de Berlijnse muur viel. ‘Time flies when you’re having fun.’ Dit meisje kwam ik tegen op de zeventiende verjaardag van het gekraakte ADM terrein. Hoewel het feestje werd gevierd onder het anarchistisch motto: “Wie orde zaait zal chaos oogsten”, heeft zij last van Sovjetnostalgie. Of is het gewoon een fashionstatement?

Sovjetnostalgie

De robotarm vermorzelt pallets.

Robotarm

De Stokers speelden ook.

De Stokers
De Stokers

Jager-verzamelaar

Als de herfst nadert, komt de jager-verzamelaar in mij naar boven.
Hoewel er in de zomer natuurlijk veel meer te oogsten is, ga ik liever deze dagen op pad.
Vorig weekend was ik in Zeeland om kokkels op laag water te zoeken. Maar ook in de stad is genoeg te vinden.
In de Pythagorasstraat kun je beukennootjes rapen. De parken liggen vol tamme kastanjes.
Hier op de Ringdijk zijn deze Chinese Hollanders er ook naar op zoek. Het is geen Chinese traditie, verzekert de man mij. In China zijn ze juist niet zo lekker. Hij maakt er soep van. Zijn uitleg van het recept begrijp ik niet. Zelf pof ik ze, of ik maak er puree van.
En dan zijn er nog paddenstoelen. Ik weet een plek waar veel boleten groeien. Maar die houd ik geheim. Binnenkort ga ik ze snijden. Ze zijn zo lekker.

Kastanjes zoeken

Kastanjes zoeken

AirBnB-vlot

Als de ochtendnevel boven het Nieuwe Diep optrekt, zie ik een vlot drijven. Midden op het meertje staat een tentje. Nieuwsgierig als ik ben wil ik er naar toe. Ik besluit een bootje te lenen. Nadat ik het slot losgekregen heb, peddel ik over het stille water.
Op het vlot zitten een jongen en een meisje. Zij hebben hier overnacht. Ik stoor ze.
Hij komt uit Parijs, en heeft het vlot via AirBnB voor een nacht gehuurd om zijn Amerikaanse liefde te imponeren. Dat lijkt me gelukt. Hij haalt de laatste fles wijn binnen die in het water hangt te koelen. Misschien neemt hij straks een duik vanaf de mini-duikplank. Eerst een sigaretje.
Dan klinkt het getuf van een dieselmotor. De verhuurder komt met zijn sloep langs om verse koffie te brengen. Ik laat de geliefden alleen en peddel de stadse drukte weer tegemoet.

Kijk hier voor een romantische nacht midden in de stad.

Kamperen midden op het water van het Nieuwe Diep
Kamperen midden op het water van het Nieuwe Diep

Lio

Lio is dood.
Zaterdag crashte hij met zijn motor tegen een geparkeerde auto. Precies op de plek waar ik hem voor het eerst ontmoette: voor de garageboxen waar hij altijd te vinden was.
Lio was degene die mij aan zijn Antilliaanse vrienden voorstelde. Door hem kwam ik steeds langs op de Koppenburglaan. Hij nodigde mij uit voor de bbq. Hij was het die zei dat ik mee moest naar de Street Legal in Drachten; hij had een plaats in zijn busje vrijgehouden. Zijn vrienden zijn ook aardig, maar Lio was de gangmaker.
“Vroeger waren we stoute jongens”, vertelde hij eens. “Nu hebben we vrouw en kinderen, en een baan.” Maar Lio was nog steeds stout. Telkens werd hij bekeurd voor verkeersovertredingen. Zijn motor die hij, onderdeel voor onderdeel, zelf had gebouwd, stond twee jaar bij justitie. Vorig jaar kreeg hij hem terug. Op zijn rijbewijs moest hij langer wachten. Eerst moest hij nog een paar maanden zitten. Vorige maand kwam hij vrij. In december zou hij weer mogen rijden. Zijn oude Golf had hij verkocht. En aan zijn vrienden beloofde hij alleen in Drachten op zijn motor te stappen.
Dit weekend zou de eerste race zijn. Lio poetste zijn motor en kon het niet laten hem even te starten. Duizend keer had hij een spin-out gemaakt, en nu ging het mis. De rubbertracks staan nog op straat.
Ik werd gebeld door zijn vrienden: vrijdag gingen ze hem herdenken.
Voor de boxen op de Koppenburglaan stonden Hayabusa’s en andere duivels met verlengde achterbruggen. Een paar honderd racers uit heel Nederland kwamen Lio de laatste eer bewijzen. Zo doen ze dat op Curaçao. De lijkwagen kwam de straat in rijden. Broer Danny reed voorop. Alle motoren brulden. Nee, ze gierden als een straaljager. Alles deed pijn aan me. Danny lag snikkend op zijn benzinetank. Achter de lijkwagen maakte de Corvette van Bakoe een burn-out.
We reden naar de Watergraafsmeer. Purun had een helm voor mij geregeld. Bij het uitvaartcentrum werd een donut op de klinkers gezet. Het rubber zat op mijn lens. Terug naar de Bijlmer voor de bbq. Oude bekenden kwamen elkaar tegen. Het was gezellig. Er werd bier en Johnny Walker gedronken; bij ieder glas ook een beetje morsen voor de dode. Alleen mijn vrienden van de Koppenburglaan waren stil. Zij waren erbij geweest toen hij verongelukte.
Om half zeven ging de stoet weer naar de aula om afscheid te nemen. We liepen langs de kist. Daar lag Lio, verband om zijn hoofd, zijn gouden tand schitterde. De sleutelaar, man met een groot hart, die altijd een stoute jongen was gebleven, was niet meer.
Buiten gierde de motoren. Maar de mannen van de Koppenburglaan stonden stil langs de kant. Zij waren geen motorracer verloren, zij waren hun vriend kwijt.

Lees ook het verhaal over mij en mijn vrienden in de Volkskrant

De diavoorstelling werkt niet in Explorer. Gebruik sowieso liever een andere browser.

[wzslider autoplay=”false” height=”800″ lightbox=”true”]

Zomervakantie

Omdat we doelloos in de buurt rondreden, had ik mijn dochter voorgesteld om bij de tweeling langs te gaan. Het was warm op het kampje. De honden kondigden onze komst aan. En hoewel ik door het raam van de woonwagen de televisie aan zag staan, kwam er niemand naar buiten. Prada en Devil bleven blaffen. Neef Andries kwam kijken water aan de hand was. John en Mila waren eten halen. Sjoekie lag bevangen door de hitte op haar bed. Daar scheurde de Canta het pad al op. “Ha, de fotograaf”, zei. John, “willen jullie sinas?” Mila ging binnen haar broodje dönner eten. John bracht de sinas en kletste wat met mijn dochter. Ik maakte een paar foto’s.
Het was mij al eerder opgevallen met hoeveel liefde John zijn tweeling opvoedde. En nu luisterde hij aandachtig naar mijn dochter. Des te opvallender als je zijn eigen jeugd kent:
John’s ouders woonden op een schip. En omdat ze geen vaste ligplaats hadden, werd John naar een internaat gestuurd. Daar in Dordrecht leerde hij de wetten van de jungle: eten of gegeten worden. Toen hij zijn plaats had veroverd was het soms best leuk: kattenkwaad uithalen of erger. Met zijn ouders had hij niet veel contact. Alleen in de vakanties ging hij naar het schip.
Hij moet een jaar of elf geweest zijn. Het schip lag al een tijdje in Amsterdam afgemeerd. John stapte op het Amstel station uit de trein. Het perron stroomde leeg. Er was niemand om hem op te halen. Ze zijn vast wat later, dacht hij. Het wachten duurde lang. Toen kwam zijn stiefbroer het perron op lopen. “Zie je wel, daar ben je”, zei hij. “Ik dacht opeens: het is volgens mij zomervakantie, ik zal John van de trein halen. Nee, moeder is er niet, die is naar Frankrijk gevaren. Heeft ze je niet gezegd, hè? Ze is gewoon vergeten dat jij zou komen. Moet je deze vakantie maar bij ons blijven.”
Toen wist John dat het nooit meer iets zou worden met zijn ouders. Naar de begrafenis van zijn vader is hij nog geweest. Maar van een erfenis wil hij niets weten.
Zelf nam hij zich voor beter voor zijn kinderen te zorgen. Maar willen en kunnen zijn niet hetzelfde. Ik vind het knap hoe het hem gelukt is.
De sinas is op. Mijn dochter lacht om een verhaal over rode mieren in John’s broekspijp. Ik besluit te gaan. “Komen jullie snel weer langs”, zegt John. “Fijne vakantie, hè.”

Lees hier meer over de tweeling.
image
image

Buurvrouw Riet

Het is altijd druk bij mijn overbuurvrouw. Mensen staan haar ramen te lappen, komen boodschappen brengen, of drinken een kop koffie. Die mensen zijn allemaal donker, en mijn buurvrouw…. Nou kijk zelf maar.
Vorige week stond Riet met haar zus Nettie op een taxi te wachten, en ik kon mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen:
Drie jaar geleden, vlak voordat ik in de straat kwam wonen, is haar man overleden. En ja, Harry was een Surinamer.
Het was 1960, en Riet werkte bij de Bijenkorf. Net als haar zus. Die liep ook met een Surinamer, en Harry kwam mee om haar op te halen. Riet was meteen verkocht. Niet dat Harry zo knap was, nee. Maar hij had charme. Daarom was het ook geen probleem met haar ouders. Kijk, in die tijd was het bijzonder hè, een gemengde relatie. Maar Riet’s ouders zagen hem meteen zitten. Ze zijn snel getrouwd, konden ze samen gaan wonen, in de Jan Steenstraat. Wat hield ze van die man. Ze zijn vaak naar Suriname geweest, zijn moeder bezoeken. Heerlijk, zo veel warmte.
Nee, het zijn niet haar kleinkinderen die langskomen. Kinderen konden ze jammer genoeg niet krijgen. Het zij zo. Maar haar nichtjes en neven komen niet minder vaak langs. Die zijn zo lief voor haar. Dat komt door Harry hè. Hij was een echte charmeur.

Riet (links) en Nettie
Riet (links) en Nettie

Gerard

Gerard zit op het dak. Gerard zit zijn hele leven al op het dak. Over vier weken komt hij er van af, dan gaat hij met pensioen. Maar nu is hij nog werkmeester bij DWI herstel. Samen met werklozen vernieuwd hij het dak van het Limonadepaviljoen op Jeugdland. Niet dat die jongens van hem dakdekkers zijn, maar zo doen ze ten minste arbeidsritme op.
Ik sta op de grond en luister een gesprek af. Een van zijn jongens zegt vooral goed geld te willen verdienen.
“Maar wat kan je dan”, zegt Gerard. “Je hebt het nooit langer dan twee of drie maanden ergens uitgehouden. Als je geld wilt verdienen moet je een vak leren.
Dacht je dat ik dakdekker wilde worden? Mijn meissie raakte zwanger, en we moesten trouwen. Zo ging dat in die tijd. Dus er moest brood op de plank. Bij een dakdekker in Wormerveer kon ik aan de slag. Dacht je dat ik het leuk vond? We werkten toen nog met gieters met vloeibare bitumen. ‘s Avonds kwam ik thuis, zat er overal teer. Op mijn kop, mijn armen, zelfs op mijn zak zat teer. Maar ik werkte hard. En na een half jaar hielp mijn baas me een huisje te kopen. Het was niks hoor, vier muren en een dak. Ik heb er dertig jaar over gedaan om het op te knappen.
Kijk, er is nu geen werk voor dakdekkers. Maar als jij zorgt dat je de beste dakdekker van de wereld wordt, zorg ik dat je een baan krijgt. Dan heb je een beroep en dan verdien je geld. Je moet eerst wat kunnen. Ik heb nog vier weken om het je te leren. Kom op, aan het werk.

Gerard
Gerard Baas

Bokssport

Eén van mijn eerste herinneringen:
Ik moet drie geweest zijn. We woonden in de Botterstraat, Banne Buiksloot. Ik werd wakker uit mijn middagslaapje, klom uit bed op zoek naar mijn moeder. Toen ik haar niet kon vinden in huis rende ik huilend het balkon op. Een voorbijganger riep naar boven wat er aan de hand was. Hij belde aan bij alle buren. Even later kwam mijn moeder binnen, tilde me op en nam me mee naar de buurvrouw. Daar moest ik stil zijn omdat er televisie werd gekeken. Een opgewonden stemming: Olympische spelen, boksen. Ik zat op schoot. Die donkere man in de ring kende ik. Hij woonde naast ons.
Het was James Vrij, de buurjongen. De familie Vrij woonde naast ons op de trap. James kwam voor Nederland uit op de Spelen van München en mijn moeder wilde zijn partij natuurlijk zien. De dag daarvoor liep de controleur van het kijk- en luistergeld door de straat. En omdat wij notoire zwartkijkers waren had mijn moeder de tv losgehaald en in de kast geduwd. Daarom had ze mij alleen gelaten. Daar moet mijn liefde voor de bokssport zijn begonnen.
James Vrij verloor in twee ronden van de Hongaar Kajdi; dertig augustus 1972.
James vader, Harry, bokste bij ome Bep. De club zijn waar ik jaren later ging boksen. Ome Bep was een idealist die meevocht in de Spaanse burgeroorlog, en bovendien een begenadigd bokser. Hij werd vier maal Nederlands kampioen lichtgewicht.
Voor ome Bep gold: niet lullen maar poetsen. Of je nu wedstrijdbokser of recreant was, als je niet hard genoeg trainde, kon je je aan gaan kleden. Zo stuurde hij eens een talentvolle bokser weg die tegen zijn aanwijzing in te aanvallend bokste; hij hoefde niet meer terug te komen. De tucht wierp zijn vruchten af. De club leverde kampioenen af in de verschillende amateurklassen.
Kampioenen hebben niet meer op de club. ‘The art of self defence’ is ingehaald door kickboksen. Of toch, één: Muhammet Uysal was Nederlands kampioen A-klasse. Hij bokste op ons gala tegen hoofdtrainer Henk Sleijfer. Ook geen geringe vechter; won menig partij in de B-klasse.
Ach, kijk zelf, zijn het niet allemaal kampioenen?

Galaatje
Galaatje

Hesp
Hesp
De jonkies
De jonkies
Rondemiss
Rondemiss

Gala SBK

In de hoek
In de hoek
Leverstoot
Leverstoot

Gala SBK

Veteranen
Veteranen
Boxeur des Rues
Boxeur des Rues

Gala SBK

Incasseren
Incasseren
Kom maar
Kom maar

Gala SBK

Schleijfer tegen Uysal
Schleijfer tegen Uysal

Gala SBK

Gala SBK