Django

Het is eerste Paasdag en ik ben op weg naar de tweeling. Het kampje waar zij wonen ligt onder metrostation Overamstel. Ten noorden van het spoor bevindt zich het Meertens instituut. Op de parkeerplaats rijden twee kleine quads rond. De gele wordt bestuurd door buurmeisje Aisha. Op de blauwe zit Django, een neefje van de tweeling. Django is dol op het rijden met de quad. En met zijn drieënhalf jaar behoorlijk behendig.
Vader Jeroen is zelf een liefhebber van driften met auto’s. Dus motorbeheersing wordt Django met de paplepel ingegoten. Met hond Diego rennend in zijn kielzog scheurt hij de parkeerplaats op en neer. Ik hoop steeds dat hij op tijd koppeling en rem weet te vinden wanneer hij op een geparkeerde auto afrijdt. Maar in plaats van stoppen gooit hij op het laatste moment zijn stuur om en scheert er rakelings langs. Eén keer blijft het voorwiel steken onder een trekhaak.
Als Django te dicht bij de doorgaande weg komt, druk Jeroen op zijn afstandsbediening en slaat de motor van de quad af. We lopen er naar toe. Django krijgt op zijn kop en crosst weer terug naar zijn moeder en tante. Jeroen nodigt mij uit om deze zomer mee te gaan naar driftkampioenschappen in Noord-Frankrijk. Er is plaats genoeg in hun tent.
Intussen graaft Diego de resten van een boom uit, geeft Aisha kleine Djamo zijn eerste rijles (of is het nou Anjo, ook zij zijn tweeling, maar ééneiig en niet uit elkaar te houden), en komt oom Paul zijn getune-de Golf showen. Het is een heerlijke Paasdag op het kampje. Ik ga weer verder.
Django

Django

Django
Django
Diego
Diego

Zomervakantie

Omdat we doelloos in de buurt rondreden, had ik mijn dochter voorgesteld om bij de tweeling langs te gaan. Het was warm op het kampje. De honden kondigden onze komst aan. En hoewel ik door het raam van de woonwagen de televisie aan zag staan, kwam er niemand naar buiten. Prada en Devil bleven blaffen. Neef Andries kwam kijken water aan de hand was. John en Mila waren eten halen. Sjoekie lag bevangen door de hitte op haar bed. Daar scheurde de Canta het pad al op. “Ha, de fotograaf”, zei. John, “willen jullie sinas?” Mila ging binnen haar broodje dönner eten. John bracht de sinas en kletste wat met mijn dochter. Ik maakte een paar foto’s.
Het was mij al eerder opgevallen met hoeveel liefde John zijn tweeling opvoedde. En nu luisterde hij aandachtig naar mijn dochter. Des te opvallender als je zijn eigen jeugd kent:
John’s ouders woonden op een schip. En omdat ze geen vaste ligplaats hadden, werd John naar een internaat gestuurd. Daar in Dordrecht leerde hij de wetten van de jungle: eten of gegeten worden. Toen hij zijn plaats had veroverd was het soms best leuk: kattenkwaad uithalen of erger. Met zijn ouders had hij niet veel contact. Alleen in de vakanties ging hij naar het schip.
Hij moet een jaar of elf geweest zijn. Het schip lag al een tijdje in Amsterdam afgemeerd. John stapte op het Amstel station uit de trein. Het perron stroomde leeg. Er was niemand om hem op te halen. Ze zijn vast wat later, dacht hij. Het wachten duurde lang. Toen kwam zijn stiefbroer het perron op lopen. “Zie je wel, daar ben je”, zei hij. “Ik dacht opeens: het is volgens mij zomervakantie, ik zal John van de trein halen. Nee, moeder is er niet, die is naar Frankrijk gevaren. Heeft ze je niet gezegd, hè? Ze is gewoon vergeten dat jij zou komen. Moet je deze vakantie maar bij ons blijven.”
Toen wist John dat het nooit meer iets zou worden met zijn ouders. Naar de begrafenis van zijn vader is hij nog geweest. Maar van een erfenis wil hij niets weten.
Zelf nam hij zich voor beter voor zijn kinderen te zorgen. Maar willen en kunnen zijn niet hetzelfde. Ik vind het knap hoe het hem gelukt is.
De sinas is op. Mijn dochter lacht om een verhaal over rode mieren in John’s broekspijp. Ik besluit te gaan. “Komen jullie snel weer langs”, zegt John. “Fijne vakantie, hè.”

Lees hier meer over de tweeling.
image
image