Django

Het is eerste Paasdag en ik ben op weg naar de tweeling. Het kampje waar zij wonen ligt onder metrostation Overamstel. Ten noorden van het spoor bevindt zich het Meertens instituut. Op de parkeerplaats rijden twee kleine quads rond. De gele wordt bestuurd door buurmeisje Aisha. Op de blauwe zit Django, een neefje van de tweeling. Django is dol op het rijden met de quad. En met zijn drieënhalf jaar behoorlijk behendig.
Vader Jeroen is zelf een liefhebber van driften met auto’s. Dus motorbeheersing wordt Django met de paplepel ingegoten. Met hond Diego rennend in zijn kielzog scheurt hij de parkeerplaats op en neer. Ik hoop steeds dat hij op tijd koppeling en rem weet te vinden wanneer hij op een geparkeerde auto afrijdt. Maar in plaats van stoppen gooit hij op het laatste moment zijn stuur om en scheert er rakelings langs. Eén keer blijft het voorwiel steken onder een trekhaak.
Als Django te dicht bij de doorgaande weg komt, druk Jeroen op zijn afstandsbediening en slaat de motor van de quad af. We lopen er naar toe. Django krijgt op zijn kop en crosst weer terug naar zijn moeder en tante. Jeroen nodigt mij uit om deze zomer mee te gaan naar driftkampioenschappen in Noord-Frankrijk. Er is plaats genoeg in hun tent.
Intussen graaft Diego de resten van een boom uit, geeft Aisha kleine Djamo zijn eerste rijles (of is het nou Anjo, ook zij zijn tweeling, maar ééneiig en niet uit elkaar te houden), en komt oom Paul zijn getune-de Golf showen. Het is een heerlijke Paasdag op het kampje. Ik ga weer verder.
Django

Django

Django
Django
Diego
Diego

Abanoub

Abanoub stond voor het gesloten hek van Jeugdland.
‘Werk je daar?’
‘Ja, ik bouw skelters met kinderen.’
‘Wat is een skelter?’
‘Weet je niet wat een skelter is? Zo één met trappers waar je op kunt rijden.’
‘Ik weet niet wat dat is. Misschien komt het omdat ik eigenlijk uit Egypte kom. Eigenlijk ben ik een Egyptische boer, en mijn vader ook, en mijn opa ook. Maar m’n vader woont al twintig jaar of zo in Nederland. Dus die is geen boer meer. En ik woon drie jaar hier.
‘En je moeder?’
‘Mijn moeder woont ook drie jaar hier, maar die komt uit Caïro, dus die is geen boer. Wat maak je ook al weer?’
‘Skelters, ben je het nu alweer vergeten?’
‘O ja. Dat komt omdat ik een klap op mijn hoofd heb gehad. Of eigenlijk kreeg ik een klap en toen viel ik op mijn hoofd. En nu kan ik niet meer zo goed nadenken.’
‘Van wie kreeg je een klap?’
‘Van een pestkop uit de klas. Toen ik pas in Nederland was werd ik veel gepest. Ze zeggen dat mijn moeder psygisch (sic) is.’
‘Is je moeder psygisch?’
‘Nee, die is gewoon. En dan zeg ik dat ik ze ga slaan tot ze gaan bloeden. Maar dat doe ik niet, hoor. Dat zeg ik alleen maar. In Egypte heb ik wel een keer een jongen geslagen die ging bloeden. Maar hij begon zelf.
Weet je, deze stok heb ik voor de honden. Ik liep gisteren daar bij die begraafplaats en toen kwamen er twee honden op me af en toen deed ik die stok zo voor me, anders gingen ze me bijten.’
‘Misschien wilden ze spelen.’
‘Nee, ze hadden tanden. En die vrouw die riep alleen iets, en die honden luisterden helemaal niet.
Ik ben een keer van de Radioweg helemaal naar die snelweg daar gelopen, en nog verder. Toen deed dit skateboard het nog. En nu heeft mijn zusje mijn telefoon in het water laten vallen. Er zaten tien games op, maar hij doet het niet meer. Ik moet om zes uur thuis zijn, en soms ook nog later.
‘Nou tot ziens.’
‘Mijn moeder zegt dat ik veel praat. Wat vind jij?’

Abanoub
Abanoub