Roken

Drie keer in de week komen ze boodschappen doen op Plein ’40 -’45. Ze wonen in de buurt van de Jan van Galenstraat, maar hier kun je voor een eurootje parkeren en dan met je winkelwagen naar de auto lopen. Eigenlijk komen ze voor de gezelligheid, ben je er even uit.
Hij haalt haar op. Ze hebben al achttien jaar een lat-relatie. Eén ding staat tussen hun in: hij rookt en zij heeft er een bloedhekel aan. Kijk, als hij bij haar is wil ie best op het balkon roken. Maar ‘s nacht wordt hij regelmatig wakker met pijn in zijn benen. Reuma. Dan gaat hij even een shaggie roken op de bank; dan gaat ie echt niet buiten staan. Slaapt hij liever thuis.
Zware shag rookt ie al zijn hele leven. Veertien was hij, begon ie op de grote vaart. Daarna werd hij slijter, toen kastelein bij Hesp, en hij eindigde op de taxi. Allemaal vrije beroepen, geen baas die op je vingers kijkt. Die vingers trouwens, die willen niet zo goed meer. Ook door de reuma. Daarom heeft ie altijd een pakje sigaretten bij de hand, voor als het draaien niet lukt.

Zware shag rookt ie al zijn hele leven.
Zware shag rookt ie al zijn hele leven.