Lio

Lio is dood.
Zaterdag crashte hij met zijn motor tegen een geparkeerde auto. Precies op de plek waar ik hem voor het eerst ontmoette: voor de garageboxen waar hij altijd te vinden was.
Lio was degene die mij aan zijn Antilliaanse vrienden voorstelde. Door hem kwam ik steeds langs op de Koppenburglaan. Hij nodigde mij uit voor de bbq. Hij was het die zei dat ik mee moest naar de Street Legal in Drachten; hij had een plaats in zijn busje vrijgehouden. Zijn vrienden zijn ook aardig, maar Lio was de gangmaker.
“Vroeger waren we stoute jongens”, vertelde hij eens. “Nu hebben we vrouw en kinderen, en een baan.” Maar Lio was nog steeds stout. Telkens werd hij bekeurd voor verkeersovertredingen. Zijn motor die hij, onderdeel voor onderdeel, zelf had gebouwd, stond twee jaar bij justitie. Vorig jaar kreeg hij hem terug. Op zijn rijbewijs moest hij langer wachten. Eerst moest hij nog een paar maanden zitten. Vorige maand kwam hij vrij. In december zou hij weer mogen rijden. Zijn oude Golf had hij verkocht. En aan zijn vrienden beloofde hij alleen in Drachten op zijn motor te stappen.
Dit weekend zou de eerste race zijn. Lio poetste zijn motor en kon het niet laten hem even te starten. Duizend keer had hij een spin-out gemaakt, en nu ging het mis. De rubbertracks staan nog op straat.
Ik werd gebeld door zijn vrienden: vrijdag gingen ze hem herdenken.
Voor de boxen op de Koppenburglaan stonden Hayabusa’s en andere duivels met verlengde achterbruggen. Een paar honderd racers uit heel Nederland kwamen Lio de laatste eer bewijzen. Zo doen ze dat op Curaçao. De lijkwagen kwam de straat in rijden. Broer Danny reed voorop. Alle motoren brulden. Nee, ze gierden als een straaljager. Alles deed pijn aan me. Danny lag snikkend op zijn benzinetank. Achter de lijkwagen maakte de Corvette van Bakoe een burn-out.
We reden naar de Watergraafsmeer. Purun had een helm voor mij geregeld. Bij het uitvaartcentrum werd een donut op de klinkers gezet. Het rubber zat op mijn lens. Terug naar de Bijlmer voor de bbq. Oude bekenden kwamen elkaar tegen. Het was gezellig. Er werd bier en Johnny Walker gedronken; bij ieder glas ook een beetje morsen voor de dode. Alleen mijn vrienden van de Koppenburglaan waren stil. Zij waren erbij geweest toen hij verongelukte.
Om half zeven ging de stoet weer naar de aula om afscheid te nemen. We liepen langs de kist. Daar lag Lio, verband om zijn hoofd, zijn gouden tand schitterde. De sleutelaar, man met een groot hart, die altijd een stoute jongen was gebleven, was niet meer.
Buiten gierde de motoren. Maar de mannen van de Koppenburglaan stonden stil langs de kant. Zij waren geen motorracer verloren, zij waren hun vriend kwijt.

Lees ook het verhaal over mij en mijn vrienden in de Volkskrant

De diavoorstelling werkt niet in Explorer. Gebruik sowieso liever een andere browser.

[wzslider autoplay=”false” height=”800″ lightbox=”true”]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *