Jopie

Als meester Chan er niet is leidt Jopie de tai chi training in het Oosterpark. Meester Chan heeft vertrouwen in Jopie. En dat is niet zo gek, want Jopie doet al jaren aan tai chi. Nu zo’n drie jaar bij meester Chan. Daarvoor bij een school aan het Entrepotdok, maar daar durfde men niet naar buiten. Terwijl het zo mooi had kunnen zijn met de dierengeluiden van Artis op de achtergrond. Buiten moet je zijn. Het is volgens Jopie juist de bedoeling van de trainingen dat je qi één wordt met de elementen.
Dat zit bij Jopie wel goed. Achttien jaar lang reisde hij heen en weer naar Zweden. Daar in de mooiste bossen van Europa was hij houthakker. Leven in het ritme van de natuur. ’s Morgens opstaan en tai chi oefeningen doen. Dan houthakken: met een bijl, niet met een motorzaag. ’s Middags eten, even een dutje doen, hardlopen, nog wat bomen kappen, en de dag weer afsluiten met zijn oefeningen. Dag in, dag uit.
Toen zijn kameraden hem eens vroegen wat hij het meest miste aan Amsterdam, dacht hij na en zei: ”Het ratelen van een fietsketting langs de kettingkast, dat mis ik.” Gelukkig fiets hij nu iedere morgen naar het Oosterpark.

Daar in de mooiste bossen van Europa was hij houthakker.
Daar in de mooiste bossen van Europa was hij houthakker.

Roken

Drie keer in de week komen ze boodschappen doen op Plein ’40 -’45. Ze wonen in de buurt van de Jan van Galenstraat, maar hier kun je voor een eurootje parkeren en dan met je winkelwagen naar de auto lopen. Eigenlijk komen ze voor de gezelligheid, ben je er even uit.
Hij haalt haar op. Ze hebben al achttien jaar een lat-relatie. Eén ding staat tussen hun in: hij rookt en zij heeft er een bloedhekel aan. Kijk, als hij bij haar is wil ie best op het balkon roken. Maar ‘s nacht wordt hij regelmatig wakker met pijn in zijn benen. Reuma. Dan gaat hij even een shaggie roken op de bank; dan gaat ie echt niet buiten staan. Slaapt hij liever thuis.
Zware shag rookt ie al zijn hele leven. Veertien was hij, begon ie op de grote vaart. Daarna werd hij slijter, toen kastelein bij Hesp, en hij eindigde op de taxi. Allemaal vrije beroepen, geen baas die op je vingers kijkt. Die vingers trouwens, die willen niet zo goed meer. Ook door de reuma. Daarom heeft ie altijd een pakje sigaretten bij de hand, voor als het draaien niet lukt.

Zware shag rookt ie al zijn hele leven.
Zware shag rookt ie al zijn hele leven.

Do not eat snow

“Do not eat snow without melting! Eating snow and ice can reduce body temperature and will lead to more dehydration.” U.S. Army Survival Manual FM 21-76
Daar hebben de meisjes van het IVKO lak aan. Die doen wat ze willen. Sneeuw van een auto likken, en als de fotograaf het vraagt doen ze het graag nog tien keer. Of aan een verkeersbord gaan hangen, net zo makkelijk. Maar daar ben je dan ook vijftien voor.

Do not eat snow
Do not eat snow

Een half jaartje, eerder om de hoek.

Meisjes van vijftien
Meisjes van vijftien

Cees

Twaalf jaar lang was Cees mijn benedenbuurman. De eerste zeven jaar zag ik hem nauwelijks omdat hij meestal bij zijn dertig jaar jongere vriendin logeerde. Cees was een levensgenieter, een charmeur ook. In de vijftiger jaren was hij vaak op het Leidse plein te vinden. Daar leerde hij Spank kennen. Spank was zijn laatste vriend.
De bekrompenheid van het arbeiders milieu waarin hij opgroeide wilde Cees snel achter zich laten. Hoewel hij slim was, maakte hij geen school af, en stortte zich liever in het vrije leven. Hij werd geluidsman in de begin dagen van de televisie, en reisde door Europa voor reportages. Hij was geen onverdienstelijk amateurfotograaf; hij pronkte altijd met zijn Leica. Zijn grootste hobby was zweefvliegen. Ná vrouwen versieren natuurlijk.
Hij moet een fantastisch leven gehad hebben, totdat de ouderdom kwam. Cees werd een oude kankerpit. Alles en iedereen moest het ontgelden. “Doodschieten”, was zijn vaste commentaar bij elk tweede artikel in de krant. Zelfs Spank hield het regelmatig een paar weken voor gezien.
Ik kon wel met Cees overweg. Altijd wilde hij praten over fotografie. Iedere keer vroeg ik hem dan of ik een foto van hem mocht maken. “Sodemieter op. Vroeger misschien, maar nu niet meer.”
Langzaam takelde hij af. Maar niemand mocht hem helpen. Hij was gevallen met zijn rug op de punt van een tafel. De wond genas maar langzaam; wekenlang liep hij dagelijks naar zijn huisarts voor een vers verband. Ik vroeg of ik boodschappen voor hem moest doen. “Waarom? Ik ben toch geen seniele ouwe kerel, sodemieter op.”
Twee jaar geleden verhuisde ik. Drie straten verder. Cees zou bij ons op bezoek komen, en ik bij hem. Maar je weet hoe dat gaat. Ik kwam hem wel af en toe tegen. Bij de Hema bijvoorbeeld, dronken we samen een bekertje chocolademelk. De laatste keer was ik met mijn dochter. Cees was gek op haar, en zij, gek genoeg, op Cees. “Opa Cees”, zei ze tegen hem. En ze gaf hem een zoen toen we weg gingen, hoewel hij naar pis stonk.

Een paar weken geleden zag ik dat zijn huis leeg was. Ik belde aan bij Spank. Cees was dood. Spank had hem na vier dagen gevonden. Niemand wilde de begrafenis betalen, dus de gemeente verkocht zijn Leica en de rest werd afgevoerd. Spank was als enige bij zijn begrafenis aanwezig.
Ik ben gaan kijken op Sint Barbara bij zijn graf, B-167. De komende tien jaar zijn dit zijn nieuwe buren. Drie boven elkaar, net als in de Pijp. Als ik het goed heb is hij nu de bovenbuurman.

Luister ook nog even naar dit: I dreamed in the cities at night, Benjamin Herman

Buurman Cees
Buurman Cees
B-167 3 hg
B-167 3 hg