Abanoub

Abanoub stond voor het gesloten hek van Jeugdland.
‘Werk je daar?’
‘Ja, ik bouw skelters met kinderen.’
‘Wat is een skelter?’
‘Weet je niet wat een skelter is? Zo één met trappers waar je op kunt rijden.’
‘Ik weet niet wat dat is. Misschien komt het omdat ik eigenlijk uit Egypte kom. Eigenlijk ben ik een Egyptische boer, en mijn vader ook, en mijn opa ook. Maar m’n vader woont al twintig jaar of zo in Nederland. Dus die is geen boer meer. En ik woon drie jaar hier.
‘En je moeder?’
‘Mijn moeder woont ook drie jaar hier, maar die komt uit Caïro, dus die is geen boer. Wat maak je ook al weer?’
‘Skelters, ben je het nu alweer vergeten?’
‘O ja. Dat komt omdat ik een klap op mijn hoofd heb gehad. Of eigenlijk kreeg ik een klap en toen viel ik op mijn hoofd. En nu kan ik niet meer zo goed nadenken.’
‘Van wie kreeg je een klap?’
‘Van een pestkop uit de klas. Toen ik pas in Nederland was werd ik veel gepest. Ze zeggen dat mijn moeder psygisch (sic) is.’
‘Is je moeder psygisch?’
‘Nee, die is gewoon. En dan zeg ik dat ik ze ga slaan tot ze gaan bloeden. Maar dat doe ik niet, hoor. Dat zeg ik alleen maar. In Egypte heb ik wel een keer een jongen geslagen die ging bloeden. Maar hij begon zelf.
Weet je, deze stok heb ik voor de honden. Ik liep gisteren daar bij die begraafplaats en toen kwamen er twee honden op me af en toen deed ik die stok zo voor me, anders gingen ze me bijten.’
‘Misschien wilden ze spelen.’
‘Nee, ze hadden tanden. En die vrouw die riep alleen iets, en die honden luisterden helemaal niet.
Ik ben een keer van de Radioweg helemaal naar die snelweg daar gelopen, en nog verder. Toen deed dit skateboard het nog. En nu heeft mijn zusje mijn telefoon in het water laten vallen. Er zaten tien games op, maar hij doet het niet meer. Ik moet om zes uur thuis zijn, en soms ook nog later.
‘Nou tot ziens.’
‘Mijn moeder zegt dat ik veel praat. Wat vind jij?’

Abanoub
Abanoub

Ton trombone

Vanuit de steeg klinkt het typische geluid van een schuiftrompet. Terwijl ik afstap, zet naast mijn een vrouw gehaast haar fiets op slot. Ze is nog net op tijd om mee te zingen met het daklozenkoor.
‘Zingen jullie buiten?’
‘Nee, je hoort Ton. Ton weet van geen ophouden. Voor en na de repetities oefent hij zijn stukken. Je mag wel meezingen, als je wilt.’
Achter de zware deur die de steeg afsluit, staat Ton zich in het zweet te blazen; zijn bladmuziek met knijpers aan het hek gehangen. Ton is niet dakloos en dat wil hij zo houden ook. Daarom oefent hij niet thuis; het idee dat de buren iedere noot kunnen horen zou hem onrustig maken.
Ik wordt voorgesteld aan Luc Tanja, de straatpastor.
´Welkom. Ieder vrijdag zingt het daklozenkoor hier. Die naam dekt de lading eigenlijk niet. Het koor is bedoeld voor mensen die bekend zijn met het leven op straat. Binnen moet je maar geen foto´s maken. Kom je Ton, we gaan beginnen.´
Op het repertoire staan de bekende Amsterdamse smartlappen. Ik hoef me geen zorgen te maken of ik nou bas of bariton ben. Na afloop zijn er soep en broodjes. Ik vraag Ton, die alle nummers begeleidde , hoelang hij al speelt. ‘Ongeveer mijn hele leven. Ik heb ook op het conservatorium gezeten. Maar nu moet ik weg, want ik ga zo oefenen met de Mentrum huisband.

Ton trombone
Ton trombone