Winterzwemmers

Vorige week zag ik de zwemmers nog net in de mist verdwijnen. Deze zondag had ik een bootje klaargelegd. Hier moest ik het mijne van weten. Wie zwemt er eind november een tochtje in het Nieuwe Diep?
Het was een prachtige dag. Van verre zag ik de oranje stipjes aankomen. Ze tikten de steiger van Jeugdland aan. Precies 604 meter vanaf het vertrekpunt. Meteen gingen ze terug. Het was te koud om langer dan een half uur in het water te blijven. 9,4 Graden Celcius om precies te zijn.
Ik stapte in mijn bootje en voer mee. In een trage cadans gleden ze door het water.
Aan de overkant stapten ze bibberend op de wal. Petra ging snel naar huis, onder de douche. Peter vertelde over de schoonheid van het zwemmen in open water. Hij was er mee begonnen toen zijn vriendin haar baan als accountmanager opzegde om ‘total immersion’ zweminstructrice te worden. Een techniek van zwemmen die is afgekeken van vissen. Verspil geen energie aan zinloos getrappel, glijd door het water. Peter is verslaafd. Zo’n Cityswim van twee kilometer; dat doet hij even tussen ontbijt en lunch. Nee, dan over de Gouwzee van Marken naar Monnikendam: drieënhalve kilometer. Of drie rondjes om Pampus zwemmen. Dat is het echte werk. Het mooist is het als ze met een klein groepje zijn. Dat hij dan lekker op snelheid ligt, en tegelijkertijd met één oog onder water, en met het andere de wereld boven water beziet. Kan je meer één worden met de elementen?
Als ik mee wil varen met mijn bootje gaat hij volgende zondag weer. En misschien daarna ook nog wel. Dan zal hij in ieder geval niet verzuipen als de kou hem bevangt.

In een trage cadans
In een trage cadans
Als vissen...
Als vissen…
Peter en Petra
Peter en Petra

Gerard

Gerard zit op het dak. Gerard zit zijn hele leven al op het dak. Over vier weken komt hij er van af, dan gaat hij met pensioen. Maar nu is hij nog werkmeester bij DWI herstel. Samen met werklozen vernieuwd hij het dak van het Limonadepaviljoen op Jeugdland. Niet dat die jongens van hem dakdekkers zijn, maar zo doen ze ten minste arbeidsritme op.
Ik sta op de grond en luister een gesprek af. Een van zijn jongens zegt vooral goed geld te willen verdienen.
“Maar wat kan je dan”, zegt Gerard. “Je hebt het nooit langer dan twee of drie maanden ergens uitgehouden. Als je geld wilt verdienen moet je een vak leren.
Dacht je dat ik dakdekker wilde worden? Mijn meissie raakte zwanger, en we moesten trouwen. Zo ging dat in die tijd. Dus er moest brood op de plank. Bij een dakdekker in Wormerveer kon ik aan de slag. Dacht je dat ik het leuk vond? We werkten toen nog met gieters met vloeibare bitumen. ‘s Avonds kwam ik thuis, zat er overal teer. Op mijn kop, mijn armen, zelfs op mijn zak zat teer. Maar ik werkte hard. En na een half jaar hielp mijn baas me een huisje te kopen. Het was niks hoor, vier muren en een dak. Ik heb er dertig jaar over gedaan om het op te knappen.
Kijk, er is nu geen werk voor dakdekkers. Maar als jij zorgt dat je de beste dakdekker van de wereld wordt, zorg ik dat je een baan krijgt. Dan heb je een beroep en dan verdien je geld. Je moet eerst wat kunnen. Ik heb nog vier weken om het je te leren. Kom op, aan het werk.

Gerard
Gerard Baas

Max Natkiel

Al meer dan vijftien jaar is Max vrijwilliger op Jeugdland. Ooit kwam hij er om een hut te bouwen en dat doet hij nog steeds. De hoogste hut op het terrein is van Max. Maar zijn vrijwilligerswerk bestaat voornamelijk uit pingpongen met de Marokkaanse buurtjongens, die staan te dringen om hem af te smashen.
‘Ben je fotograaf?’, vroeg Max toen hij mij met een camera zag lopen. ‘Ik ook .’
‘Jaja, dat hoor ik dagelijks’, dacht ik. ‘Zijn we tegenwoordig niet allemaal fotografen met de Iphone in de aanslag?’
‘Ik ben de Nederlandse Diane Arbus, maar dan beter.’
Nieuwsgierig naar zoveel eigendunk tikte ik thuis Max Natkiel in. Blijkt hij inderdaad een prachtig fotoboek gemaakt te hebben. Paradiso Stills is een portret van de punkgeneratie in de jaren tachtig.
Max was een vaste bezoeker van Paradiso en experimenteerde wat met fotografie. Toen hij de punkers begin jaren tachtig binnen zag stromen, ging hij met zijn Roleiflex bij de wc staan. Omdat hij samen met hen dronk en blowde, wilden de jongens en meisjes wel even voor hem poseren. Per avond kon hij maar één fotorolletje betalen, en was hij na zestien opnamen klaar. Al snel was er belangstelling voor zijn foto’s en mocht hij op rekening van een zekere Henri Parens bij Capilux rolletjes halen. Parens was later de uitgever van het boek, waarvoor aanvankelijk niet veel belangstelling was. Tweeduizend exemplaren belandden bij De Slegte voor een tientje per stuk. Toen de punktijd voorbij was werd het een collectorsitem.
Laatst nog, vroeg een antiquair op de Haarlemmerstraat hem een handtekening voorin te zetten. Toen Max zevenhonderd euro in de rechterbovenhoek zag staan, vroeg hij een briefje van twintig voor zijn krabbel.
Hoewel hij altijd is blijven fotograferen, is er nooit meer iets gepubliceerd van zijn werk. Maar binnenkort verschijnt eindelijk een heruitgave met extra veel foto’s, onder de titel Studio Paradiso; slechts voor negenendertig euro.
Heb ik nu een gratis exemplaar verdient, Max?

Strammer Max
Strammer Max

Abanoub

Abanoub stond voor het gesloten hek van Jeugdland.
‘Werk je daar?’
‘Ja, ik bouw skelters met kinderen.’
‘Wat is een skelter?’
‘Weet je niet wat een skelter is? Zo één met trappers waar je op kunt rijden.’
‘Ik weet niet wat dat is. Misschien komt het omdat ik eigenlijk uit Egypte kom. Eigenlijk ben ik een Egyptische boer, en mijn vader ook, en mijn opa ook. Maar m’n vader woont al twintig jaar of zo in Nederland. Dus die is geen boer meer. En ik woon drie jaar hier.
‘En je moeder?’
‘Mijn moeder woont ook drie jaar hier, maar die komt uit Caïro, dus die is geen boer. Wat maak je ook al weer?’
‘Skelters, ben je het nu alweer vergeten?’
‘O ja. Dat komt omdat ik een klap op mijn hoofd heb gehad. Of eigenlijk kreeg ik een klap en toen viel ik op mijn hoofd. En nu kan ik niet meer zo goed nadenken.’
‘Van wie kreeg je een klap?’
‘Van een pestkop uit de klas. Toen ik pas in Nederland was werd ik veel gepest. Ze zeggen dat mijn moeder psygisch (sic) is.’
‘Is je moeder psygisch?’
‘Nee, die is gewoon. En dan zeg ik dat ik ze ga slaan tot ze gaan bloeden. Maar dat doe ik niet, hoor. Dat zeg ik alleen maar. In Egypte heb ik wel een keer een jongen geslagen die ging bloeden. Maar hij begon zelf.
Weet je, deze stok heb ik voor de honden. Ik liep gisteren daar bij die begraafplaats en toen kwamen er twee honden op me af en toen deed ik die stok zo voor me, anders gingen ze me bijten.’
‘Misschien wilden ze spelen.’
‘Nee, ze hadden tanden. En die vrouw die riep alleen iets, en die honden luisterden helemaal niet.
Ik ben een keer van de Radioweg helemaal naar die snelweg daar gelopen, en nog verder. Toen deed dit skateboard het nog. En nu heeft mijn zusje mijn telefoon in het water laten vallen. Er zaten tien games op, maar hij doet het niet meer. Ik moet om zes uur thuis zijn, en soms ook nog later.
‘Nou tot ziens.’
‘Mijn moeder zegt dat ik veel praat. Wat vind jij?’

Abanoub
Abanoub